en de geestelijke liefde des gemoeds jegens God een en hetzelfde zijn (36, Gev.).
Eeuwigheid.
De geest kan niets verbeelden, noch kan hij zich het verleden herinneren, tenzij zoolang het lichaam bestaat (V, 21). In God echter bestaat noodzakelijk een begrip van het wezen van dit en dat menschelijk lichaam volgens het gezichtspunt der eeuwigheid (22). Want: God is niet slechts de oorzaak van het bestaan van dit of dat menschelijk lichaam, maar de oorzaak ook van het wezen daarvan. Zoo moet dit begrip wel noodzakelijk in God aanwezig zijn.
De menschelijke geest kan niet met het lichaam geheel te niet gaan, maar van hem blijft iets over dat eeuwig is (23).
Want: in God bestaat noodzakelijk een begrip of gedachte van het wezen van het menschelijk lichaam, en welk begrip derhalve [nl. als denking Gods] tot het wezen van den menschegeest behoort. Den menschegeest nu kennen wij geen duur toe, die met tijdmaat zou kunnen bepaald