mende kniesoor, gcen valsch-mystieke
droomer, geen in afzonderings-hoog-
heid poseerende somberling en hyste-
ricus, bij wiens ziekelijk humeur een
compas noodig bleek. Als een zwaar-
gerammeide burcht wierd soms zijn
leven, maar nooit maakte zijn wan-
hoop godslasteringen in hem wakker.
Ook als knaap hield hij zieh overeind
met de titanische energie van zijn
psyche. Ja, hij ving de zonnigheid
der Von Breuning's op, hij koesterde
zieh in die familie-innigheid. Zijn stug
gevoel brak. Hij kwam tot schateren,
stoeien, plagen, zoodra de bloeiende
knaap zieh uit zijn stuursche be-
schroomdheid had losgewerkt en met
onverdrukten durf zijn schalksche
invallen mocht uitspreken, zonder
vrees voor snauw en beknorring,
zooals in het druilende leven van
grauw verdriet bij hem thuis. In zijn
woning smoorde de lach, stierf de
humor. Maar de levens-gretige Von
Breuning's, met hun snakerijen en
prikkelende guitigheden, lokten zijn
112