9i
i
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Vrouw Sibylle stond in den hoogen melkkelder en
schepte ijverig room af in een paar aarden schoteltjes
voor de dienstboden bestemd, naast haar zat freule Isa-
bella op een omgekeerde waschtobbe treurig voor zich
uit te kijken.
— Gelooft ge heusch, Sibylle, dat wij nog een schotel
meer moeten opdisschen, als Lothar morgen een paar
vrienden uit het dichtst bijgelegen garnizoen meebrengt?
Is het bepaald noodig, Sibylle, kunnen wij ons in het
geheel niet met den kalkoen alleen behelpen? De laatste
dagen hebben ontzettend veel geld verslonden! Het jonge
meisje zuchtte diep en richtte een angstig vragenden
blik op het roodachtig gezicht der kleine vrouw.
Moeder Sibylle zette een oogenblik overleggend de beide
armen in de zijde. „Wel, nee, freule Bellaatje, dat kan
niet anders!" en energiek schudde zij eindelijk het hoofd,
„het zou een heidensch spektakel geven bij mevrouw en
den luitenant! En -dan nog die verwende jongens, die
mesjeu huzaren, die zullen naderhand den neus voor ons
optrekken, als hier niet alles toeging, zooals het in een
grafelijk huis past! Wanneer ge niet toekomt, zal ik
leenen, zeide mijnheer uw broeder, en mevrouw uwe
moeder stemde daarmee in! Ziet u, lieve freule, toen die
kleine heks freule Dagmar gekomen is, ging het lieve
leventje zijn gang, en er werd iederen dag gekookt en
gebraden, dan zoo en zooveel bedienden en daarbij die
fijne keukenmeid uit de stad, die maar kommandeert