21
Op een zondagmiddag kwam Jan Frits roepen. Nu, dat
gebeurde zoo dikwijls, dat Frits terstond toestemming kreeg,
om met Jan mede te gaan. A'a wat gespeeld te hebben in
den tuin van Jans ouders, werden zij door den regen naar
binnen gedreven. Ook daar was speelgoed genoeg. Op eens
ziet .lan een kistje staan, dat gesloten was. ,/Frits! help
eens, dan zullen wij eens zien, wat daar in is!"
Aanstonds was Frits bij hem en met behulp van het ge-
reedschap uit .Tans timmerdoos was het kistje spoedig open!
De inhoud viel niet tegen. liet kistje was vol sinaasappe-
len, netjes in vloeipapiertjes gewikkeld. „Dat valt mee,
Frits!" zei Jan. „Hebt gij een mesje? dan zullen wij er
een van proeven." Zoo gezegd, zoo gedaan. Juist zitten
beide jongens met een stuk in de handen, daar gaat de deur
open en Jans vader treedt de kamer binnen. Wat werd
die man boos. „Wat is dat, jongens! zijt gij dieven en
inbrekers geworden? Moogt gij iets openbreken, dat met
spijkers dichtgemaakt is. Gij, Jan! gij naar boven; ik kom
aanstonds bij u, en Frits gaat oogeiiblikkelijk naar huis
en mag niet weer hier komen, voor ik zijn ouders ge-
sproken heb."
Schreiende ging Frits naar huis en snikkende vertelde hij
alles aan moeder. „Daar hebt gij het al weer," zeide deze:
„gij wist, dat het kwaad was, en toch deedt gij het, alleen
omdat een ander het vroeg."
Toen Jans vader dienzelfden avond nog kwam, werd er
heel wat gesproken en Frits ging naar bed met het va.ste
voornemen, zich voortaan goed te bedenken, voor hy zijn
hulp beloofde. Hij zou zijn best doen, ook eens „neen" te
leeren zeggen.