- 6 -
wordt afgemeten 101 c.M3., dan zou een even-
tueel gevonden latex-gehalte van 20 % in werkelijkheid
moeten zijn 19, 8 %. Eene fout dus van slechts 0.2 %.
Voor de praktijk is deze fout van geen beteekenis.
En het lijdt dan ook geen twijfel, of deze methode
is, niettegenstaande zij eenigszins omslachtig lijkt,
voor de controle op de ondernemingen de meest juiste.
Methode voor Voor het laboratorium is evenwel deze methode
het laborato- minder geschikt. Het coaguleeren, uitrollen, uitwasschen
r,um' en drogen blijft eenigszins omslachtig. Wil men voor
selectiedoeleinden uit een grooten aanplant de boomen
met hooggehaltige latex leeren kennen, dan zal men
systematisch tal van latex-monsters moeten controleeren;
bovendien zal men daarbij in de meeste gevallen
slechts over geringe quantiteilen kunnen beschikken,
zoodat het gebruik van vochtwegers is buitengesloten,
en bij het gebruik van maatcylinders voor het afmeten
der latex (coagulatie-methode) de fout vrij groot zou
worden. Hoe eenvoudiger en sneller dan de methode
is, des te beter. In dit verband werd de vraag over-
wogen, of het niet mogelijk zou zijn om het gehalte
van latex te controleeren door directe indamping van
een bepaald volumen latex tot konstant gewicht. Het
gevonden drooggewicht per 100 c.M3. latex vertegen-
woordigt dan natuurlijk niet direct het procentgehalte
coaguleerbare rubber. In dit cijfer zijn immers ook
begrepen de vaste serum-bestanddeelen. Maar wellicht
zou het mogelijk blijken, voor deze laatste eene be-
paalde correctie aan te brengen, zoodat uit de gevonden
droogrest direct het rubbergehalte kan berekend worden.
Van een 30-tal latex-monsters werd nu de droogrest
bepaald. Dit geschiedde door 5 c.M3. latex te
pipetteeren in gewogen nikkelen schaaltjes, die terstond
werden geplaatst in eene droogstoof bij 105° C. Nadat
konstant gewicht bereikt was, werden de schaaltjes, na
afkoeling in een exsiccator, opnieuw gewogen. De
gewichtsvermeerdering vermenigvuldigd met 20 levert
dan terstond het procentgehalte droge stof. Tegelijkertijd