- 22 -
door zonnewarmte, een ontwijken der lucht voorkomen
werd.
De kolf b had steeds bij alle proeven een inhoud
van ongeveer 140 c.M3. De inwendige doorsnede der
aangesmolten buis a was bij alle experimenten nauw-
keurig dezelfde, n.1. 4 m.M.
De op onderstaande wijzen verkregen caoutchouc-
monsters werden in de kolf b in 100 cM3. benzol
opgelost, waarna de benzol werd afgedestilleerd, zoodat
de caoutchouc in een dun laagje van steeds hetzelfde
oppervlak tegen den wand der kolf terugbleef. Om
de laatste sporen benzol en water te verwijderen
werd daarna het kolfje gedurende een uur in eene
droogstoof bij 105° C. geplaatst.
Telkens na 24 uur werd bij dezelfde temperatuur,
waarbij de proef was ingezet, de stijging van het kwik
in de buis a waargenomen. Daar alle buizen juist
denzelfden inwendigen diameter bezaten, leverden de
zoo verkregen cijfers direct vergelijkbare waarden voor
de oxydeerbaarheid der betreffende monsters.
Zoodra bij een der proeven de stijging van het
kwik in buis a bijna het niveau van het kwik in
buis c bereikt had, werd na de aflezing, de buis a
uit het kwik gelicht, zoodat opnieuw lucht kon toetreden.
De dan volgende waarnemingen werden nu bij de
vorige geaddeerd, om de totale stijghoogte te vinden.
Telkens wanneer eene totale stijghoogte van ongeveer
200 c.M. bereikt was, werd de buis a wederom uit
het kwik gelicht, en daarna luchtledig gepompt, waarna
de lucht weer werd toegelaten. Daardoor werd bereikt,
dat de lucht in deze kolfjes weer ongeveer dezelfde
samenstelling kreeg als die in de kolfjes, waarin de
caoutchouc nog zeer weinig geoxydeerd was, m. a. w.
dat de qxydatie steeds onder zooveel mogelijk gelijke
omstandigheden plaats vond.
Voor de eerste serie proeven werden zes monsters
caoutchouc bereid uit versche latex van ongeveer 25-
jarige boomen uit den Cultuurtuin te Buitenzorg.