: # *¦
XVIII.
Plotseling werd Hal een paar gasten van Percy gewaar. Vivie
Cass stond met Bert Atkins onder één parapluie, en Bob Cre-
ston en „Dicky" Everson waren er ook, Zij droegen regenjassen
en waterdichte petten en maakten een praatje met Cartwright.
Naast de kromme, vuilzwarte mijnwerkers leken deze slanke,
smettelooze jonge mannen en vrouwen wezens uit een andere wereld.
Hun oog viel op Hal en dadelijk kwamen zij naar hem toe.
„Waar heb je dien jongen zoo gauw vandaan gehaald?"
vroeg Bob met een zoeten glimlach.
„Opgeraapt van de straat", zei Hal, den kleinen Jerry neer-
zettend.
„Hallo, baas!" zei Bob.
„Hallo!" zei de kleine Jerry. Hij kon „Amerikaansch spreken"
en hij was niet bang voor een mooien meneer. „Mijn vader is
in de mijn", zei hij, den vreemdeling met zijn groote, donkere
oogen monsterend.
„Zoo, zoo!" antwoordde deze, „waarom ga jij ook niet naar
beneden?"
„Vader zal ze er wel uithalen. Die is nergens bang voor."
„Hoe heet je vader?"
„Groote Jerry,"
„Zoo! En wat wil jij worden als je groot bent?"
„Schieter."
„In deze mijn?"
„Ik denk van niet."
„Waarom niet?"
Kleine Jerry zette een geheimzinnig gezicht. „Ik zeg niet alles
wat ik weet", zei hij.