73
De twee hecren lachten. Ze konden hier iets leeren.
„Ga je later niet terug naar je vaderland ?" vroeg Dicky
Everson.
„Neen meneer!" zei kleine Jerry, „ik ben Amerikaan."
„Misschien word je nog wel eens president."
„Dat zegt mijn vader ook altijd", hernam de jongen, „presi-
dent van een mijnwerkersbond."
Weer lachten zij, maar Rosa fluisterde hem snel iets toe en
trok hem aan zijn mouw. Zulke dingen kon je niet tegen ge-
heimzinnige, rijke vreemdelingen zeggen! „Dit is Jerry's moeder,
juffrouw Minetti", zei Hal, om haar gerust te stellen.
„Aangenaam kennis te maken, juffrouw Minetti," zeide de
jongelui. Zij namen hun hoed af en bogen voor haar enkeken
haar glimlachend aan, want Rosa was allerliefst om te zien,
terwijl zij bloosde en met een paar schuchtere woorden ant-
woordde. Ze was vreeselijk verlegen. Zulke deftige heeren
hadden haar nog nooit in haar leven zoo vriendelijk toegesproken.
En zij spraken met Joe Smith als een ouden bekende en
noemden hem bij een anderen naam. Zij richtte haar donkere
Italiaansche oogen vragend op Hal en hij moest blozen, ondanks
zichzelf. Het was bijna even pijnlijk door Noorddal ontdekt te
worden als door Western City!
De beide jongelui spraken over het reddingswerk en wat
Cartwright hun daaromtrent verteld had. De brand woedde in
één van de hoofdgangen en greep nu sterk om zich heen, nadat
de luchtzuiger was begonnen te werken. Veel reddingswerk kon
in dat gedeelte van de mijn niet gedaan worden, maar de man-
nen met de rookmaskers zouden in de uitgebrande gangen doen
wat ze konden. Zij wisten hoe licht zulke uitgebrande mijnge-
deelten instortten, maar ze wisten ook dat daar mannen had-
den gewerkt vóór de ontploffing.
„Ik moet zeggen dat het flinke kerels zijn!" merkte Dicky op.
Een troepje vrouwen en kinderen kwam om hen heen staan.