44
woordig kosthuis te mogen verlaten en bij hen in den kost te
komen.
Vrouw Rafferty zette groote oogen op: „Denk je dat ze je
dat zouden toestaan?"
„Waarom niet?" vroeg Hal.
„'t Zou een slechten indruk op de anderen maken."
„Wil je dan zeggen dat ik bij Reminitsky moet blijven?"
„Er zijn zes kosthuizen", zei de vrouw.
„En wat zouden ze doen als ik bij jelui kwam?"
„Je zoudt eerst gewaarschuwd worden en als dat niet hielp,
zou je worden weggejaagd en wij misschien ook nog."
„Maar in keetstad hebben verscheidene menschen commen-
saals."
„O, die lui! Daar let niemand op — zij zouden hier niet
blijven als ze hun eigen gang niet mochten gaan. Maar jij bent
dadelijk bij Reminitsky gekomen en het zou voor ons ongezond
worden als wij er je vandaan haalden."
„Wel, wel", zei Hal, „er schijnen hier een boel dingen
ongezond te zijn."
„Ja, dat is zoo. Zij hebben Nick Ammons weggejaagd, om-
dat zijn vrouw melk kocht verderop in de kloof. Haar kleintje
was ziek en de melk hier uit het magazijn is dun en slecht.
Zij zeggen dat ze er krijt in doen. Er blijft altijd wat wits over
in de kroezen."
„Dus je bent ook verplicht te koopen in het magazijn?"
„Ik dacht dat je meer in de kolenmijnen had gewerkt?"
onderbrak de oude Rafferty het gesprek. Hij had zwijgend
zitten luisteren.
„Dat heb ik ook", zei Hal, „maar het was daar niet zoo erg
als hier."
„Waar was dat dan?" vroeg vrouw Rafferty. „In dit deel
van Amerika zeker niet, want mijn man en ik hebben jaren-
lang gezocht, maar het is overal even slecht."