XII.
Den avond van dienzelfden Zondag ging Hal Mary Burke
het beloofde bezoek brengen. Zij deed de voordeur van haar
huisje open om hem in te laten, en zelfs bij het zwakke licht
van het kleine petroleumlampje kreeg hij een sterke impressie
van gezelligheid en warmte. „Hallo", zei ze, juist als bij hun
eerste ontmoeting. Hij trad binnen en zag dat haar katoenen
japonnetje netjes gestreken was. Op haar schouder, waar de
scheur was geweest, zat nu een klein stukje onverschoten blauw
katoen. In het huisje waren maar drie vertrekken. Twee daarvan
waren slaapkamers en Mary ontving dus haar gast in de keuken.
De wanden waren kaal, er hing zelfs geen klok. De eenige
aantrekkelijkheid die het meisje aan het vertrek had weten te
geven was die van zindelijkheid. De planken vloer was schoon-
geschrobd en met wit zand bestrooid, ook de tafel was geschrobd
en de ketel en theepot waren blinkend geschuurd. Mary's broertje
en zusje waren ook aanwezig: Jennie, een donker kind^
tenger en schuw met groote, treurige oogen, en Tommy, een
dikke jongen met een ronden kop, zooals er talloozen liepen in
het kamp. Beiden zaten stijf rechtop op hun stoel en sloegen
den bezoeker met zekeren wrok gade, naar hem voorkwam. Hij
veronderstelde dat ook zij aan de algemeene schrob-partij onder-
worpen waren geworden. En daar de dag van het bezoek niet
nauwkeurig was vastgesteld, was het niet onmogelijk dat zij
reeds eenige avonden „geschrobd" waren en Hal kon zich levendig
indenken, dat dit met minder vriendelijke gedachten aan het
adres van Mary's nieuwen „jongen" was gepaard gegaan.
Mary was eenigszins onhandig en verlegen. Zij bood Hal
geen stoel aan, en bleef besluiteloos staan. Toen Hal een paar