69
stellen te verleenen; op voorbeeld van Engeland en Pruisen
zou slechts de begrooting niet geamendeerd mogen worden. De
werking zou als volgt zijn: het wetsontwerp met de voorge-
stelde wijzigingen zou teruggezonden worden aan de Tweede
Kamer, die alleen de gewijzigde artikelen, desgewenscht eerst
in de afdeelingen, behandelen zou, Vereenigde zij zich met de
„amendementen, dan zou zij het ontwerp terstond ter bekrach-
tiging aan den Koning zenden; wees zij de wijzigingen af, dan
bleef aan de Eerste Kamer het eindoordeel over het ontwerp,
zooals het door de Tweede Kamer was aangenomen en de
verantwoordelijkheid daarvoor.*)
Deze laatste wijziging ging er in de commissie door met de
kleinst mogelijke meerderheid, immers drie van de zeven leden
Fokker, Oppenheim en Willinge verklaarden zich in afzonder-
lijke nota's tegen deze versterking van den invloed der Eerste
Kamer. Het helderst betoog tegen de toekenning van het recht
van amendement levert de nota Oppenheim,2) Na eerst op het
technische bezwaar gewezen te hebben, dat de toch reeds zwaar
loopende wetgevende machine daardoor nog stroever zal gaan,
ontwikkelt Oppenheim de principiëele bedenking, dat de positie
der Eerste Kamer, die den algemeenen gang van wetgevingen
bestuur moet bewaken, toezicht houden, dat de Tweede Kamer
niet toegeeft aan een toevallige voorbijgaande strooming of de
rechten der minderheid vertreedt, daardoor totaal gewijzigd zal
worden. Met bovenstaande taak strookt toch een beoordeeling
der wetsontwerpen in hun geheel, waardoor alleen acht gegeven
wordt op de groote lijnen zonder af te dalen in de finesses,
die in de Tweede Kamer minutieus behandeld worden. Voorts
vreest hij van de met het amendementsrecht gepaard gaande
uitbreiding van de werkzaamheden der Kamer een vermindering
van haar aanzien, omdat velen, wien de aanvaarding van het
lidmaatschap thans mogelijk is, de tijd dan zal ontbreken om
deze functie naar behooren waar te nemen. Terwijl de commissie
1) Romeijn I, pag. XI-XI1I.
2) Romeijn I, pag. LXVIII-LXX.