11
de eerste plaats te verklaren uit het feit, dat van de meisjes op de scholen voor
voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs een groter percentage de gym-
nasiale richting volgt, vooral op de lycea, dan van de jongens.
Dit blijkt uit het thans volgend staatje, dat in procenten de verdeling der
leerlingen geeft, die in September 1947 in de hoogste klasse van een gymnasium,
H.B.S. of lyceum in Nederland zaten. De gegevens zijn ontleend aan de statis-
tiek van het voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs 1947/1948, ge-
publiceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Naast de cijfers
betreffende de leerlingen der hoogste klassen zijn de verhoudingscijfers gevoegd
omtrent de eerstejaarsstudenten der Amsterdamse Universiteit, voorzover
zij in 1948 het eindexamen aan een Nederlandse school voor voorbereidend
hoger- en middelbaar onderwijs hadden afgelegd. Een vergelijking van deze
beide verhoudingscijfers toont aan, dat van de leerlingen met een gymnasium-
opleiding een groter percentage gaat studeren dan van hen, die de H.B.S.-
richting volgden. Het gymnasium blijkt nog wel steeds bij uitstek als voor-
bereidend hoger onderwijs te worden beschouwd.
SchoolsoortLeerlingen der hoogste klassen van het voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs in Nederland, gedurende de cursus 1947/1948 en eerstejaarsstudenten te Amsterdam in 1948/1949 (Verhoudingscijfers)
Aantal leerlingen der hoogste klasse op 15 September 1947Aantal eerstejaarsstudenten te Amsterdam, die in 1948 het einddiploma behaalden
MannenVrouwenMannenVrouwen
4,76,37,89,4
6,35,014,010,5
H.B.S. A.............14,920,28,76,3
H.B.S. B.............40,722,134,320,4
Lyceum gymnasium A .2,810,46,223,0
Lyceum gymnasium B .3,37,16,717,8
Lyceum H.B.S. A.....6,513,56,02,6
Lyceum H.B.S. B.....20,815,716,310,0
Totaal...............100100100100
Behalve een verschil in opleidingsrichting kan ook het verschil in milieu
waaruit de leerlingen komen een rol spelen. Het Centraal Bureau voor de
Statistiek, afdeling Culturele Statistiek, heeft in October 1945 cijfers gepubli-
ceerd (mededeling No. 227) omtrent het sociaal milieu der leerlingen, die in
de jaren 1939/1940—1943/1944 tot de eerste klasse ener school voor voor-
bereidend hoger- en middelbaar onderwijs werden toegelaten. Wanneer men
een indeling maakt „hogere", „middelbare" en „lagere" milieus, dan waren
van de gymnasiasten 49,4% uit de hogere, 38,9% uit de middelbare en 9,6%
uit de lagere milieus afkomstig. Voor de leerlingen der 5-jarige hogere burger-
scholen bedroegen deze percentage echter respectievelijk 19,9, 52,9 en 25,5.
De „hogere" milieus, waaruit, zoals verderop blijkt, nog de meeste der stu-
denten, vooral van de vrouwelijke, afkomstig zijn, zijn dus op de gymnasia
veel sterker vertegenwoordigd dan op de hogere burgerscholen. Evenwel kan
men uit bovenstaand staatje toch niet concluderen, dat dit verschil in milieu
de oorzaak zou zijn van het feit, dat van de gymnasiasten een groter percentage
gaat studeren dan van de H.B.S.-ers. Immers ook voor de leerlingen der lycea,