6i
In verband met het resultaat, waartoe wij door ons
onderzoek zijn gekomen, moeten wij ons aansluiten bij
het voorstel van Balina om den naam leucoderma te
vervangen door een andere, die beide kenmerken van
het verschijnsel — het pigmentverlies en de pigment-
vermeerdering — doet uitkomen. Balina wil het daarom
noemen „syphilide leuco-pigmentaire", waarbij hij zelf
opmerkt, dat dit „syphilide" niet geheel juist is. Ons
zou daarom „leucomelanoderma syphiliticum" beter lijken.
Wel is deze naam neutraler, maar hierbij loopt men de
minste kans eigenschappen in te voeren, die men niet
alle kan verantwoorden.
Fournier heeft de naam „leucomélanodermie syphili-
tique" gebruikt voor pigmentveranderingen, die hij zag
achterblijven in twee gevallen van papulo-tuberculeuse
circinaire syphiliden en die hij beschrijft als vitiligineuse
vlekken door gehyperpigmenteerde velden omgeven.
Voor ons zijn deze gevallen confluerend leucoderma
en is er dus geen bezwaar den naam, die hij aan die
enkele zeldzaam voorkomende typen geeft, over te
brengen op het verschijnsel in het algemeen.
Menen we door ons onderzoek de uiterlikheden van
het leucoderma beter te hebben leren kennen, voor de
verklaring van het verschijnsel moeten we noodzakeliker-
wijs nog in het land der hypothesen terecht komen. De
nieuwste opvattingen omtrent de pathogenese nagaand,
hebben we gezien, dat de meeste auteurs het er over
eens zijn, dat de basaalcellen ter plaatse van de witte
vlekken tijdelik hun pigmentvormend vermogen hebben
verloren. De epidermiscellen worden dus in deze ene
speciale funktie verlamd. Sommigen achten het enkele
aanwezig zijn van de spirochaeta pallida in de huid voor
deze pigmentatieverlamming reeds voldoende, terwijl
anderen een door het syphilities virus veroorzaakte vaat-
ontsteking als directe oorzaak aannemen (Géber). Het