koeld, als water daartegen aanslaan. Dat is dus een bewijs, dat er te midden van de lucht waterdamp is. Nu is het boven in de lucht kouder dan hier beneden, dichter bij de aarde. De waterdamp, die in de ruimte aanwezig is, zal dus, als hij in hoogere streken komt, bekoelen en daardoor water worden. En dan gebeurt er juist, wat er boven den ketel met kokend water plaats heeft: er ontstaat n.1. een wolk. Zulk een wolk bestaat uit zeer fijne waterdrupjes, die eerst bij verdere bekoeling tot grootere druppels worden. Gewoonlijk drijven de wolken hoog in de lucht. Onder sommige omstandigheden drijven zij echter laag bij den grond en vormen dan, wat wij mist en nevel noemen. Dat werkelijk de gewone wolken nevels zijn, die hoog in de lucht hangen, daarvan kan men zich het best overtuigen bij het beklimmen van een berg. Een berg behoeft nog niet eens zoo heel hoog te zijn, om met zijn top tot in of boven de wolken te reiken. Als men zoo'n berg beklimt en tot op de hoogte van de wolken komt, dan is het, alsof men in een nevel loopt, die ophoudt, zoodra men door de wolk heen is. Dikwijls heeft men op den top van den berg helderen zonneschijn, terwijl beneden in het dal de lucht betrokken is, omdat de wolken, die ter halver hoogte van den berg drijven, de zonnestralen beletten tot de aarde door te dringen.
Het laat zich nu begrijpen, hoe er uit een wolk regen kan nederdalen. Als zij namelijk sterk afgekoeld wordt, vormen zich uit kleine waterdruppels grootere, die als regendruppels naar beneden vallen. Is de afkoeling zeer sterk, zoodat het water bevriest, dan ontstaat er sneeuw en soms hagel.
Als men sneeuw bekijkt, zonder al te nauwkeurig toe te zien, schijnt het eenvoudig een wit poeder te zijn. Maar als men op een kouden winterdag eenige fijne sneeuwvlokjes op een donkere oppervlakte, b.v. een zwart stuk papier, opvangt en die dan met een vergrootglas bekijkt, dan ziet men, dat de