184
DADING.
een einde is gemaakt door een vonnis, hetwelk in kracht van
gewijsde is gegaan, doch waarvan partijen, of een derzelve geen
kennis droegen. Indien 't vonnis, waarvan partijen geen kennis
droegen, aan eenig beroep onderhevig was, is de dading van
waarde. Art. 1899.
Is de zaak bij vonnis, waarmede partijen onbekend waren,
beslist en de termijn van beroep of cassatie verstreken, dan kan
daarover geen dading meer getroffen worden. Was 't vonnis wel
aan beroep onderhevig, dan kan men de dading feitelijk als eene
uitsluiting van 't beroep beschouwen.
Indien partijen in 't algemeen eene dading hebben aangegaan
over alle zaken, welke zij metelkander uitstaandehebben,\everen
de bescheiden, die hun toen onbekend waren, doch naderhand
ontdekt zijn geen grond op tot vernietiging der dading, tenzij zij
door toedoen van een der partijen mochten zijn achtergehouden.
Maar de dading is nietig indien dezelve slechts een enkele zaak
tot onderwerp had, waarop door de naderhand ontdekte bescheiden
gebleken mocht zijn, dat een der partijen niet 't minste recht had.
Art. 1900.
Handelt de dading dus over alle zaken, die partijen uitstaande
hebben, dan is alleen 't feit, dat de achterhouding der bescheiden
te wijten is aan 't toedoen van een van hen, in staat de dading
te doen vernietigen, doch bij dading over eene enkele zaak levert
't naderhand blijken, door 't ontdekken der bescheiden, dat een
van hen geen recht had, 't feit der vernietiging op.
Een misslag van berekening bij eene dading begaan, moet hersteld worden.
Art. 1901. Dit is slechts een brengen in den toestand zooals
partijen 't eigenlijk bedoelden.
Waar de wet hier dan eens van vernietigbaar, dan weer van
nietig spreekt en de ternrinologie afwisselend wordt gebruikt, is
wel aan te nemen, bij onderzoek der motieven en vergelijking
met de terminologie bij dwaling, dat de dading vernietigd kan
worden, wanneer een dier genoemde gevallen voorhanden is.