27
Deze hoed is groot, maar die 2)iefer ^nt ift grop, aiïeiit jener
is grooier, ift gröper.
Is uw boek zoo groot als 3ft 3f)r S3uc^ fo grop tDie ba^
het mijne? meinige?
Hrt is niet zoo groot als dê ift nic^t fo grop alé baö
het uwe. 3r)rigc.
Het is grooter dan het uwe. ® ift größer aïö baö 3f)rige.
Zijn de kinderen van onzen @tnb bie ^tnber unfereê
buurman zoo zoet als de barä fo artig iüie bie nnfe?
onze? rigen?
Zij zijn zoeter dan de onze. @ie fiub artiger aïê bie un=
ferïgen.
Aanmerking G, Bg een comparatief van gelijklieid ge-
bruikt men het voegwoord it)ie, als-; achter den com-
paratief van meerderheid en van minderheid het voeg-
woord alö, dan.
Wien? Van wien? SBeffen? (Zie 31 les.)
Wiens hoed is dat? Van SBeffen §ut ift baö?
wien is die hoed?
Het is de hoed van mijn
broeder.
Het is myn broeders hoed.
(Sr ift ber §ut meineê S3ruberé.
ift meineö 33ruberö ^nt.
Wiens hoed is de schoonste? SBeffen v§ut ift bcr f^öuftc?
Die van mijn vader is de 2)er meinet 33aterö ift ber fdjönfte.
schoonste.
Wiens lint is het schoonste, ÏÏSeffeu 33anb ift fc^öner \ bay
het uwe of het mijne? 3f)rige ober ba6 meïnige?
Het mijne is schooner dan nicinige ift fi^öner afe baé
het uwe. 3^nge.
* Moet hel bijvocgHjk naamwoord in den trnp vnn vergelijking het be-
palend lidwoord vóór zich hebben, en heeft de vergelijking plaats van den
graad der hoedanigheid bij twee voorwerpen, dan gebruikt men in het
Hoogduitsch niet den nvcrlrcffenden, maar den vergelijkenden irap; b. v. :
bcr dïtcrc unb bcr jüngerc von ^hjet ^rübcrn, de oudste en de jongste van
twee broeders; bfefcr SBcrg t(i von bciben bcr IjiS^crc, deze berg is van
beide de hoogste.