land van den kant van Japan dreigde. Reeds vóór den
oorlog had het aan waarschuwingen van tal van zijden
niet ontbroken en het mocht dan ook onwaarschijnlijk
worden geacht en eigenlijk heel naïef, dat de Nederlandsche
regeering, voor zoover zij dit kon, aan deze zaak geen
aandacht meer zou schenken, omdat bij voorbeeld in een
deel der pers getracht werd het wantrouwen te sussen.
Meer dan ooit moet Nederland op zijn zaak letten en het
blad waarschuwt er voor, dat Japan uitstekend op de
hoogte is van al wat de koloniën betreft. Japan was dit
reeds vóór den oorlog en zou dit tijdens dezen oorlog,
waar Japan niet voor niets aan deelneemt, zeker niet
minder zijn. Als de Centralen vernietigd worden, zal
ieder ander — schrijft het blad — al of niet door
gemaakte geheime verdragen, vrij spel hebben. Worden
de geallieerden vernietigd, dan zal Japan zeer zeker niet
behooren tot die vernietigde partij. Daar zijn de Japs veel
te slim voor.
Doch niet alleen in geschriften en in de pers van
Nederland, doch in het hart zelf van het Nederlandsche
volk is verontwaardiging gewekt door het bedrijf der
Entente-staten. Het Nederlandsche volk, dat volk van zes
millioen zielen, dat over veertig millioen zielen in Indië
regeert, heeft zijn koloniaal bezit lief gekregen en beschouwt
het als een deel van zich zelf. Indië en Nederland behooren
bij elkaar; een gewelddadige scheiding zoude voor beide
noodlottig wezen. Handel en nijverheid van Nederland
vinden hun voedingsbodem in Indië, terwijl Indië op zijn
beurt zich ontwikkelt en de beschaving tegemoet treedt
aan de hand van Nederland, waaraan het door banden
van eeuwenlange trouw en vriendschap is verbonden.
Doch bovenal vraagt Nederland een handhaving van
het Recht en met heilige verontwaardiging neemt zij kennis
van de smadelijke bewoordingen van Sassenof in diens
telegram van 8 Februari 1915: „Het is mogelijk, dat
Japansche troepen op grond van de militaire noodzake-
14