geweest, die langs den wand kropen en in het kruisvuur hunner booze blikken zoende hij het meisje, dat op zijn knieën zat.
Bruno Verveer had zijn arm om het middel van Hilda Terborch geslagen; zij had haar hoofd tegen zijn schouder gevleid, en terwijl ze elkaar om beurten of soms gelijktijdig kusten, voegden ze elkaar van die woordjes toe, die idioot zijn als ze je in nuchtere oogenblikken weer invallen, doch die niettemin op het juiste oogenblik uitgesproken denzelfden poëti-schen klank hebben als het gekweel van een nachtegaal in een maanlichten lentenacht.
Hilda Terborch was een nichtje van professor Maranus; ze was twee en twintig jaar oud, kleinen tenger en gracieus in al haar bewegingen; ze had springerig lichtblond haar, dat vaak als een stralenkrans om heur hoofdje stond, en van die wonderlijke oogen, wier kleur geen man kan vaststellen, omdat hij, er in kijkend, dadelijk een eigenaardige verwarring in zijn binnenste bespeurt, die hem belet zuiver waar te nemen. Dat Hilda verwant was aan de familie Maranus, getuigde soms een eigenaardige trek om den mond, die al de portretten ook hadden, maar op de beeltenissen was die trek verstijfd tot een ietwat aanmatigende vastberadenheid, terwijl om Hilda's lieven mond die trek slechts verscheen, wanneer ze 'soms eens nadacht over moeilijke problemen in haar jeugdig leven, die alleen wilskrachtige handelingen tot