i75/502o.standen in Palembang van groot belang werd geacht. De nieuwe uitloopers der op stomp gekapte planten ontwikkelden zich uitstekend en verwacht werd, dat de bevolking tot navolging zou overgaan, in de eerste plaats op die gronden, welke men gewoonlijk slechts één maal of hoogstens twee jaren achtereen met rijst beplant. Verder heet het op bl. 219, dat de uitkomsten met (z.g.) Bourbonkatoen, verkregen opeen Hevea-onderneming opSumatra's Oostkust, van dien aard waren, dat er toebereidselen weiden gemaakt deze tusschencultuur op groote schaal toe te passen.
In de inleiding van het meergenoemde Overzicht katoencultuur 1913 wordt er de aandacht op gevestigd, dat deze soort aan den verbouwer hooger eischen stelt dan de grove kapas oeloe, daar zij gemakkelijk verwildert en dan een broeinest wordt van schadelijke insecten. Dit is de groote drawback van alle overjarige katoen: het gewas moet een tijd lang geheel verdwijnen van het veld, anders worden op den duur de vele plagen, die de katoen-plant teisteren, de baas.
Qossypium microcarpum, Tod. levert de roode Peru-katoen.
Qossypium Nanking-, Meyen levert de chineesche katoen van Siam, China en Japan.
Qossypium obtusifolium, Roxb is voor Ned-Indië verreweg het belangrijkste en werd bereids behandeld.
Qossypium peruvianum, Cav. levert de z. g. Peru-katoen, die vooral in West-Afrika veel wordt geteeld; hiertoe behooren de meeste rassen van de gewone of kortstapelige egyptische katoen, zooals ashmouni, mit afifi en zafiri.
Met mit afifi is volgens het rapport van KuyperinPalembanggeëx-perimenteerd van af 1904; hij beschrijft het verloop van de proeven tot en met het jaar 1906 en achtte de resultaten gunstig genoeg om te advisceren die proeven onder deskundige leiding voort te zetten. Hoewel deze soort de natuurlijke beschutting van de gewone palembangkatoen mist en bijgevolg de regen aan het product veel meer schade kan toebrengen, bleek de mit afifi in sommige opzichten toch minder gevoelig voor te veel vocht, doordat het zaad en de kiemplantjes meer water kunnen verdragen en zij procentsgewijs veel minder knoppen en jonge vruchten liet vallen dan de kapas oeloe. In 1911 was volgens de verhandeling van Van Setten (bl. 4) de egyptische katoen uit de res. Palembang „reeds lang" verdwenen.
Qossypium purpurascens,Poi>.iG. ja vanicu m,Bl.). Heester, 1.50 tot 3 M. hoog, volgens Backer's Schoolflora in West- en Midden-lava aan de noordkust en langs de zuidkust in Bantam en de Preanger Regentschappen aangeplant en somsschijnbaar wild. Deze levert de Bourbon-katoen en heet in West-Java kapas mori.
Gossypium purpurascens, Poir. is de botanische naam, die ook toekomt aan de katoensoort, welke op Flores wordt geplant als caravonica katoen. Als zoodanig zijn zaden van drie vormen in den handel gebracht met verschillende eigenschappen, doch alledrie volgensden kweeker superieure cultuurvormen, die verkregen heeten te zijn door zorgvuldige kruisingen. Van positieve resultaten met caravon ca katoen bereikt, is nog niets gebleken. Op Flores echter is de daar gekweekte caravonica-vorm — om dien naam nog te behouden—de eenige overgebleven geïmporteerde soort, waarmede