2ÓO
Nu het voorjaar langzaam aan begon te komen, hielp ze in den avondschemer Jan bij het werk in den moestuin. Ze harkte en zaaide, spande wollen draden tegen de musschen, en leerde ook spitten. Maar dat kon ze niet lang volhouden.
Jan vond het eerst wel vreemd, en was wat stug, maar toen hij zag dat ze werkelijk met ijver werkte en niet bang was haar handen vuil te maken, werd hij spraakzamer en vriendelijker. Hij beloofde haar een maaltje van de groenten die ze zaaide, te sturen, dat had ze wel verdiend met haar werken.
Martha vond Jan een aardige, goeie jongen; het deed haar altijd aangenaam aan wanneer ze 's avonds als hij van zijn werk kwam, zijne stem in huis hoorde. En het was op een dag in haar bewustzijn gevallen, dat hij haar weer had leeren lachen. Altijd wist hij iets grappigs te zeggen, en wat Martha vooral sympathiek in hem vond, was de manier waarop hij met zijne moeder omging. Heel dikwijls plaagde hij haar of hield haar voor den gek, maar op zoo'n goedige, leuke manier, dat zij er steeds om moest lachen. Sprak zijne moeder werkelijk eens ernstig tot hem, dan werd hij ook dadelijk ernstig, en hoorde men aan zijn stem dat hij