279
verboden; wordt een bal, die tegen de doelpalen stuit,
gerekend achter te zijn (doeluitschop); mogen alle
spelers hooge ballen .verticaal omlaag slaan; mag de
doelverdediger lage ballen niet met de handen
aanraken (keepen).
3. In verband met de geringe afmetingen van het
speelveld worden geen hoekschoppen genomen; een
bal, die achter komt, wordt steeds door den doelverde-
diger van uit het doel uitgeschopt (doeluitschop).
4. Het spel is alleen geschikt voor kleine klassen.
5. Voor doelpalen kunnen gevoeglijk de spring-
standaards worden gebruikt, daar de bovenlat kan
worden gemist (rollende bal).
6. Het verdient aanbeveling, voor dit en soortgelijke
spelen, de benoodigde strepen (eventueel cirkels) op den
vloer te laten verven (tijdwinst, stofwering; zie: theorie).
7. Zie: N.B. „Schoppen en stoppen".
No. 43. Zaalvoetbal II. J.
> > > > > > >A.. 3>< ci \ < * l4
\. r / >2 3. f //>J
C 5>< e.
Het speelveld wordt uitgezet, zooals in fig. is aange-
geven (zie: Zaalvoetbal I).
De cirkel heeft een middellijn van 5 a 6 M.
De klasse wordt door keuze afgedeeld in groepen van
5 spelers.
De Nos. 1, 2, 3, 4 en 5 der eerste groep nemen de