Hoe doorfolterd ook van binnen : God toch, God alléén beminnen
En Hem derven !..... Wat gemis!.
Groot, ach, als Gods glorie is.
f Heer, ontferm U hunner.
Of ze zuchten, smeeken, kermen, Rust'loos roepen om ontfermen, Neen het baat, bij Gods gemis, 't Baat hun tot geen lafenis. "J" Heer ontferm U hunner,
Zij dan in hun onvermogen Klagen ons met smêekende oogen : „Wist gij die op aarde zijt, „Wist gij wat een ziel hier lijdt!" "f Heer, ontferm U hunner.
Zij, ach, die zoo droevig klagen, 't Zijn onze ouders, kind'ren, magen, 't Is een ziel, die ons het wijt, Dat zij zóóveel smarten lijdt.... ¦f" Heer, ontferm U hunner.
God, o God, wil toch bevrijden Die door mijne schuld daar lijden. Ach, dat deze pelgrimstocht Alle straf volboeten mocht, "f" Heer, ontferm U hunner.
Wil, genadig God ! vergeven
Wat zij tegen U misdreven, Eindig, eindig hunne straf, Wisch hun laatste smetten af. f Heer, ontferm U hunner.
Laat hen, die toch U beminden, Naat hen nu ontferming vinden: