8
wijzen. Hun materialistisch monisme1) bleef onvolkomen
en kon het idealisme en dualisme niet overwinnen.
Toen kwam Marx en zag, dat de geschiedenis en de in
de geschiedenis werkende ideeën en idealen der menschen,
hun slagen en hun mislukken het resultaat van klassen*
s t r ij d e n waren. Doch hij zag nog meer. Klassentegenr
stellingen en klassenstrijden had men reeds voor hem in
de geschiedenis gezien, doch ze waren meestal als bet werk
van domheid of boosaardigheid eenerzijds, hoogmoed en
verlichting anderzijds beschouwd; eerst Marx legde hun
noodzakelijken samenhang bloot met de economische ver-
houdingen, welker wetmatigheid kan worden gekend, zooals
Marx dit het beste aantoonde. De economische verhoudingen
zelf berusten echter in diepsten grond op de wijze, waarop
en de mate, waarin de mensch de natuur behaerscht, welke
beheersching uit de kennis der natuurwetten voortvloeit.
Slechts onder bepaalde maatschappelijke voorwaarden is
de drijfkracht der geschiedenis de klassenstrijd; steeds
is het in den grond der zaak de s t r ij d tegen de natuur.
Hoezeer de maatschappij ook met de natuur van aard schijnt
te verschillen, in deze en in gene vinden wij dezelfde wijze
van beweging en ontwikkeling door den strijd van tegen-
stellingen, die altijd Weer uit de natuur zelve ontstaan, de
zoogenaamde dialectische ontwikkeling, i
Hiermede was de maatschappelijke ontwikkeling in het
raam der natuurlijke ontwikkeling gebracht, was de
menschelijke geest ook in zijn meest samengestelde en
hoogste uitingen, de maatschappelijke', als een stuk natuur
voorgesteld, de natuurlijke wetmatigheid van zijn werken
op alle gebieden bewezen en aan het wijsgeerig idealisme en
dualisme de bodem ontnomen.
Op deze wijze heeft Marx niet slechts in de geschiedenis-
wetenschap een volledige omwenteling teweeg gebracht,
doch ook de kloof tusschen natuurwetenschap en geestes-
wetenschap gedempt, de eenheid van de geheele menschie-
lijke wetenschap aangetoond en daardoor de wijsbegeerte
overbodig gemaakt, in zooverre deze als bijzondere, buiten
. en boven haar staande wijsheid deze eenheid van het denken
•) Volgens het dualisme zijn stof en geest twee van elkaar onafhankelijke
deelen der werkelijkheid. Het monisme daarentegen vat de werkelijkheid
als een eenheid op, hetzij materialistisch (»de geheele werkelijkheid is
in wezen stof") hetzij idealistisch (»de geest is het eenig werkelijke").