42 Mengelwerk.
men, die de jongelieden krachtig aansporen tot de be-
oefening der natuurkunde. Zij kunnen die proeven meest
allen zeiven doen, en de ondervinding leert mij dage-
lijks, dat daardoor de lust tot verdere beoefening der
natuurkunde wordt aangewakkerd. Een my" bekend be-
oefenaar der natuurkunde, die deze wetenschap met goed
gevolg in praktijk brengt, heeft mij verklaard, dat juist
een van deze kunstjes de oorzaak is geweest van zyne
ingenomenheid met de natuurkunde. Hij zag als leer-
ling op eene lagere school zijn' onderwijzer de proef
doen met een' emmer met water aan een' stok over eene
tafel hangende, en beproefde dit te huis gekomen ook.
Het gelukte hem, en van dat oogenblik legde hij zich
met ijver op de beoefening der natuurkunde toe, en
bragt het daarin zoo ver, dat de toepassing dezer we-
tenschap hem een ruim bestaan verschaft.
De aanmerking, betreffende mijne beschouwing der
werktuigen, is weder zoo onbepaald, dat zij niet kan
wederlegd worden. „ Zij zijn," zegt Ree., „ van luttel
belang en onvolledig." — Als men afkeuren wil, is niets
gemakkelijker dan zich van zoodanige uitdrukkingen te
bedienen. Zij behoeven niet ontwikkeld te worden, en
kunnen, daar zij geen bepaald gebrek aanwijzen, ook
niet wederlegd worden. Ik heb echter bij die beschou-
wingen het voetspoor gevolgd van goede schrijvers (zie
de noot bl. 184), en meen dus gerustelijk tot het lezen
dier beschouwingen te mogen uitnoodigen.
Als bepaalde onnaauwkeurigheden geeft hij op, „ dat
het principe van den hefboom maar zoo is opgegeven,
terwyl niet eens gezegd wordt, dat de hefboomsarmen
de loodlijnen zijn, uit het steunpunt op de rigtingen der
krachten neergelaten."