1» w
V.mii zijns vaders iiuis kennen wij Torach zijn vader en Haran
en Nahor zijne broeders.
Abram gaat niet alleen op reis. Terach. zijn vader, gaat inee
tot Haran maar sterft aldaar ((ren. 11: 81, 32). Verder verge-
zelden hem zijn vrouw Sarai, en zijn neef Lot, de zoon van zijn
broeder Haran.
Het land dat God aan Abram wijzen zou was Kanaan, gelegen
geheel ten Oosten van de Middellandsche Zee. Gesteld dat men
de Middellandsche zee van het Westen naar het Oosten in een
rechte lijn kon doorvaren, dan zou men juist op de kust van Kanaan
stuiten. Abram was van het Noorden of van het Noordoosten
gekomen en had vooral in het Zuiden van het land zich een
woonplaats gekozen.
Door een hongersnood was hij toen gedwongen geworden om
naar Egypte te verhuizen, waar hij eenigen tijd vertoefde, en waar
het gebeurde, dat hij zijne vrouw uitgaf voor zijne zuster. Een
halve waarheid, want zijn vrouw was zijn halve zuster, maar
eigenlijk een heele leugen, want het was er hem om te doen,
den mannen van Egypte Ie doen gelooven, dat zij niet zijn
vrouw was.
Alzoo toog Abram op uit Egypte naar het Zuiden, dat wil zeggen
naar het Zuidelijk gedeelte van het land Kanaan.
Als wij de kaart voor ons nemen, dan zien wij dat hij dus
eigenlijk naar het Noorden of Noordoosten trok.
Wij spreken zoo van het voorttrekken van Abram, alsof dat een
gemakkelijke en eenvoudige reis was. En toch was dat niet zoo
Abram was een rijk man. Zijne bezitting bestond in vee, in zilver
en in goud (Gen. 13: 2). Ook van Lot, die met Abram toog,
lezen wij dat hij had schapen en runderen en tenten. Toen die
beide mannen' optrokken was dat dus een heele optocht. Al dat
vee moest worden verzorgd. Daarvoor waren manschappen noodig.
De tenten die meegevoerd werden moesten dienen voor die
manschappen, overal waar Abraham vond dat het een geschikte
woonplaats voor hem was, omdat daar het noodige voedsel voor
zijn vee was te vinden. En waar hij zich dan vestigde was zijn
koninkrijk.
Abraham en Lot noemen wij daarom wel eens herdersvorsten.
Zij regeerden als onafhankelijke vorsten een ieder in zijn eigen
kring. Maar die kring bestond alleen uit herders, die voor hun
menigte van vee hadden te zorgen. Wij zullen zien dat zij ook
wel eens als gewone koningen hadden te strijden, al zochten zij
den strijd ook niet, en daarvoor ook gewapende dienstknechten
onder zich hadden.
Twist tusschen de herders. Abram en Lot waren nu in het
land bij Beth-El. Vroeger hadden zij daar ook al gewoond. Bij