Zondag 1 Januari.
Leertekst :
Matth. 2 : 2a.
de wijzen uit het oosten.
Ps. 121 : 1, 2.
Gez. 274 : 2.
Zingen:
Matth. 2.
De eerste dag der week is ditmaal ook de eerste dag van het
jaar. Als wij nu op de Zondagsschool tezaam komen, dan moet
ons eerst een gelukwensch van het hart. en gelukkig als wij dan
ook behoefte gevoelen om tezamen op te zien tot den Heer, van
wien alleen onzen hulpe is, en ons daarin te verblijden, dat wij
niet alléén onze weg behoeven te gaan, omdat Hij onze leidsman
en bewaarder wil wezen.
De geschiedenis, die wij vandaag hebben te bespreken, is juist
geschikt voor den Nieuwjaarsdag. Zij geeft een antwoord op de
vragen: «waar zal de reis naar toe zijn ?" en, //wie zal ons den
weg wijzen ?" De kerstdagen zijn nog niet vergeten. Zij hebben
ons herinnerd aan de komst van den Heer Jezus. Welnu, laat
het doel van onze reis nu zijn om Hem te vinden. //Wij zijn
gekomen om Hem te aanbidden." Zoo zeiden immers de wijzen,
en daarin vroegen zij: „waar is hij ? wijs ons den weg." En G-od
zorgde dat hun de weg gewezen werd. Wij willen nu eens zien
hoe dit geschiedde.
De wijzen (Matth. 2 : 1). Er staat //eenige wijzen," wij weten dus
niet hoeveel. De overlevering heeft er drie van gemaakt4 en zegt
ook dat het koningen waren. Vandaar ook het driekoningenfeest
op 5 Januari. Zij noemt zelfs de namen van die drie koningen:
Melchior, Caspar en Balthasar, en weet te vertellen dat de eerste
was uit het geslacht van Sein, de tweede van Oham en de derde
van Jafet.
Volgens het Bijbelsch verhaal waren het wijzen, dus geen
koningen. Nu moeten wij bij dit woord niet denken aan men-
schen met een bijzonder goed inzicht, zooals wij spreken van den
wijzen Salomo, of van de wijze en dwaze maagden. De naam wijst
hier een bepaald soort menschen aan, die zich bezig hielden met
geheime kunst om verborgenheden te ontdekken, of de toekomst
te voorspellen. Wij vinden ze in de geschiedenis van Daniël,
waar van de toovenaars en waarzeggers gesproken wordt. In
1*