98
aan en smeekt zoo God met wijduitgestrekte armen om
vergiffenis voor zijne zonden.
57. DE FELLAHS IN EGYPTE.
Een deel der bevolking van Egypte zijn de Fellahs,
d. i. van buiten ingekomen Arabieren, die zich in vroe-
ger tijd als akkerbouwers langs den Nijlstroom hebben
neergezet. Evenwel is 't land, dat zij bebouwen, groo-
tendeels niet meer hun eigendom, maar in 't bezit van
den onderkoning overgegaan, wiens arbeiders en huur-
lingen zij thans zijn. Alles, wat zij op het veld verbou-
wen , moeten zij tegen bepaalde prijzen aan den regent
overdoen; wat zij tot hun levensonderhoud noodig heb-
ben, kunnen zij hem dan weder afkoopen. Die niet
arbeiden willen, worden er door zweepslagen toe gedwon-
gen. In hunne ellendige, morsige hutten is de pest een
regelmatige gast; de honger staat hun op het gezicht
geschreven , en de gansche bevolking is door de langdu-
rige slavernij — als vroeger de Israëlieten — ontzenuwd
en verstompt. De hoogstens twee M. hooge hutten zijn
uit leem en stroo opgetrokken en boven alle beschrijving
morsig. Een dadelstam strekt tot dakstoel, en daarop
geworpen en met aarde bedekte dadelboomtakken en bla-
deren dienen tot zoldering. Met gekruiste beenen zit
de Fellah op zijne palmenmat. die tevens hem en zijne
gansche familie tot slaapplaats dient.
Tusschen de ellendige hutten der Fellah-dorpen ziet
men de naakte of slechts met een hemd bekleede, don-
kerbruine kinderen in het zand wroeten en dwalen hier
en daar eenige magere gestalten in blauwe boomwollen
hemden om. Zorgvuldig dekken de vrouwen haar gelaat
met eene soort van smallen, zwarten sluier, en geen man
vertoont zich zonder den turban of de roode fez, ofschoon
hem dikwijls alle overige kleeilingstukken ontbreken.
Alleen een mensch, die naar lichaam en geest geheel
verstompt is, kan het in zulk eenen door afschuwelijke
uitwasemingen verpesten omtrek op den duur uithouden.