kregen ze den wagen met vereende krachten voort.
's Avonds aan den maaltijd spraken de knechts over
het schandelijk gedrag van Jansen. „Ik wou," zei er
een, „dat hem morgen hetzelfde ongeluk overkwam." —
„Ik ook," zei de boer, „en dan wilde ik wel, dat wij er
bij waren." — „Ja juist," was het antwoord. „Dan kon
hij ook eens wurmen, en wij zouden het aankijken en
hem braaf uitlachen."
„Neen, zoo meen ik het niet," zei de boer weer. „Als
dat gebeurde en we waren er bij, dan zouden we hem
eens laten zien, hoe hij met ons had moeten doen; we
zouden hem helpen, zooveel we konden."
„ Maar baas," zei de knecht, „ zou je dat nu wezenlijk
doen? Hoor eens, het spreekwoord zegt: Al te goed is
buurmans gek, en dat is een waar woord. De kerel zegt
nu al, dat je hem niet aandurft. Dan zou hij nog meer
pochen, geloof dat maar vrij."
„Dat is zijne zaak," zei de boer, „en onze plicht ia
het, anderen in nood bij te staan."
Toen haalde de knecht de schouders op en zweeg.
Eene week later, na eene hevige onweersbui, bleef de
wagen van Jansen bijna op dezelfde plek steken. Nau-
welijks had Yalk dit bemerkt, of hij ging er met een
paar knechts en het noodige gereedschap naar toe, om
hem te helpen.' De andere boeren, die het zagen, lachten