40. A, B en C huurden eene weide voor 302 ^^
gulden. A liet er in loopen 3 koeijen, B 5 paarden
en C 15 schapen. Floe veel gulden moest ieder tot de
huur bijdragen, als 2 koeijen met 3 paarden en 4
schapen met ééne koe in weide gelijk gesteld zijn?
41. Een landbouwer verkocht eenige mudden rogge,
boekweit en haver, doch 5 mud boekweit tegen 6 mud
rogge, en 4 mud rogge tegen 5 mud haver. Hoe veel
gulden ontving hij er te zamen voor, als 't last rogge
210, 't last boekweit 187/2 en 't last haver 108
gulden kostte, zoo hij in 't geheel juist 46'/^ mud ver-
kocht heeft?
42. Drie boeren, die wij A, B en C zullen noemen,
bragten tezamen last rogge ter markt, doch B 10
mud meer dan A, en C 15 mud meer dan B. Voor
hoe veel gulden heeft ieder verkocht, als de prijs van
't last 187/2 gulden was?
43. Eene erfenis werd onder 4 personen — A, B,
C en D — zoo verdeeld, dat A 1 gulden bekwam
tegen B een' rijksdaalder, C 3 gulden tegen B 2,
en D 4 tegen C 3. Indien D 1250 gulden meer heeft
ontvangen dan C, hoe veel gulden hebben zij dan te
zamen ontvangen?
44. Van 3 merkwaardige jaartallen uit de Geschie-
denis onzes Vaderlands, is de som 4516. Als ik u zeg,
dat de bedoelde jaartallen tot elkander staan als 324,
393 en 412; kunt gij mij dan zeggen, waardoor de
bedoelde jaartallen merkwaardig zijn?
45. Drie boeren, die wij A, B en C zullen noemen,