1 [ !
|| ij '' t " 72
I Nederland in 1813.
1 Hef, Neerland! thans de ontrolde vaan
En ruk er mee te velde;
Tot wapens moet ge uw keten slaan,
Die u zóó drukkend knelde.
Hoort gij in 't opgeklaard verschiet
Dien zegezang der vrijheid niet,
En krijgstrompetten steken?
De dageraad, zoo lang voorspeld,
Is reeds de kimmen uitgesneld
1, En wacht uw teeken af in 't veld,
Om voller door te breken.
Te lang reeds hebt ge aan koord en zeel
Voor 's dwingelands voet gekropen.
En voortgestuwd in 't strafgareel,
Op tronen stormgeloopen.
Neen, buigt den hals niet l^f
Gij naamt den Rijn zijn kluisters af '),
Gereed in zand te smoren!
■\Yie duinen voor zijn schreden plet,
Rivieren uit haar kil verzet
En afleidt langs een ruimer bed
Is niet tot slaaf geboren!
1) Van 1801—1807 werd het kanaal van Katwijk gegraven, waardoor
de verzande monding van den Rijn lieropend werd.
INHOUD.
'i stof voor opstellen I .................. Blz.
. . 3.
stof voor opstellen ...................
j beeldspraak ..................... 47
1