46
Want niemand zoekt, als hij zich bij u zal vermaken,
Wie ge eertijds waart, Sir James — en naar uw vroeg're zaken.
Schikt u dat alles?
Tyrrel.
Ja.
Glocester.
Dus?
Tyrrel.
Gij kent mijn besluit.
Glocester.
En ik betaal. — Doch met uw vrijen wil is 't uit.
Tyrrel.
Nooit was er een, die mij zóó wettig commandeerde ;
Gij koopt mij duurder, dan ik ooit mezelf taxeerde.
Glocester (hoort iemand komen; op een zijdeur wijzend).
Stil'! - ga - daar !
(terwijl Tyrrel zich verwijdert.)
Bij St. Georges ! 'k Heb hem niet gevleid !
Doch hij verzoent mij weder met de mensch'lijkheid.
VIERDE TOONEEL.
Glocester. Buckingham.
Glocester (tot Buckingham die binnenkomt).
Kom, neef! — 'k Verlang naar u — Waarom u niet te reppen %
Buckingham.
Zeer edele Protector! Laat mij ademscheppen ! —
Ik kwam den Koning groeten, doch ben nog te vlug ;
Ik dacht hem bij u in den Tower reeds terug,
't Bevreemdt me niet; men zou het haast onmoog'lijk
wanen,
Zich in de straten door dat plebs een weg te banen.
(gaande naar het raam, dat hij daarna opent.)
Voordat ge mij beschuldigt — zie, Mylord, hoezeer
Dat volk elkander dringt! — De zee, zelfs bij ruw weer,
Van Dover tot Calais is beter te betoomen,
Dan deze massa volks, tot razernij gekomen !
Het wil zijn Koning zien. — Straks heb ik overdacht,
Toen men mij in verrukking duwde en drong, dat kracht
Noch hst iets baten kan ; neen ! 't zoude niet gelukken,
Aan hen het voorwerp hunner razernij te ontrukken.
— Waar ik zoo tot u spreek, daar ben ik niet verdacht;
Want omtrent mij is drommels-weinig eer betracht!