47
Toch is mijn paard uit eed'ler stamboom voortgekomen,
Dan al deze Engelschen, die daar te zamen stroomen.
Glocester.
Wat zei men van de Koningin ?
Buckingham.
Veel liefs van haar.
Glocester.
Ze is te Westminster.
Buckingham.
Zij?
Glocester.
En ook haar zoon.
Buckingham.
Is 't waar?
Glocester.
Zeer waar, ja !
Buckingham.
Met welk doel ?
Glocester.
Weet gij het mij te zeggen,
Dan doet ge mij genoegen, neef, het me uit te leggen.
Buckingham.
Misschien heeft wel een woord van u haar verontrust.
Glocester.
Ik heb te veel gezegd ; ik ben het mij bewust;
Doch ik ben niet als zij, die op bedrog steeds peinzen,
Want dat ligt buiten mijn natuur ; ik kan niet veinzen.
Buckingham.
Dat is verkeerd.
Glocester.
't Kost moeite dat ik 't mij vergeef.
Door u moest ik mij altijd laten raden, neef.
Ik ken uw trouw.
Buckingham.
Gewis.
Glocester (glimlachend).
De Koningin, mijn waarde,
Is mooi. — Ik meen, dat zij uw vriendschap gul aanvaardde
Buckingham.
Haar schoonheid, zoo vol ernst, is stellig naar mijn smaak.
Doch te luchthartig vindt zij mij : dat zag ik vaak.