281
No. 44. Het Zessen-Voetbalspel. J.
Art. 1. Spelers.
Het spel wordt gespeeld door twee partijen, ieder van
zes spelers.
Opmerking: De gewone opstelling is: een doel-
verdediger, twee achterspelers en drie voorspelers.
Art. 2. Terrein en spelmateriaal.
§ 1. De lengte van het speelterrein is ten minste 70
en ten hoogste 90 M., de breedte is ten minste 85 en
ten hoogste 55 M.
§ 2. Het speelterrein wordt door duidelijk zichtbare
lijnen afgebakend. De lijnen in de lengte, zijgrenzen
genaamd, staan rechthoekig op de breedtelijnen, die
doellijnen heeten.
Opmerking: Deze lijnen, alsmede die in het vol-
gende bedoeld, zijn bij voorkeur kalklijnen.
Op iederen hoek wordt een vlag geplaatst, waarvan
de stok niet korter is dan 11/2 M.
Op het terrein worden nog de volgende lijnen getrok-
ken: Een lijn evenwijdig met de doellijnen, die het ter-
rein in twee gelijke stukken verdeelt; het midden van
deze lijn wordt duidelijk aangegeven. Om dit punt als
middelpunt, wordt een cirkel beschreven met een straal
van 71/2 M. Op iedere doellijn trekke men op 1/5 van de
breedte van het terrein van ieder hoekpunt af een lijn
rechthoekig op die doellijnen (dus evenwijdig met de
zijgrenzen) ter lengte van i/g van de lengte van het
terrein, de uiteinden worden weder door een lijn ver-
bonden, zoodat door deze drie lijnen en een gedeelte
van de doellijn op iedere doellijn een rechthoek gevormd
wordt (lengte 3/s van de breedte van het terrein, breedte
Ve van de lengte van het terrein), die strafschop-
gebied heet.
Rechthoekig op iedere doellijn op een afstand van 1/3
van de breedte van het terrein van ieder der hoek-