en daar door zien en hooren, door scherts en lach met een of andere zonde te besmetten, zoodat niemand zonder gevaar ontkomt.
4. Deswege bewake de Godgewijde dienaar Gods naarstig zijne wegen, en beteugele zoowel zijn geestelijke als lichamelijke verstrooiingen, opdat hij het hoogste Goed niet verlieze, dat tegelijk met het lagere niet kan behouden worden; maar zoodra hij bemerkt dat hij , afgetrokken en belemmerd wordt, keere hij spoedig tot God terug door gebed en berouw en met den H. David bidde en zegge hij: Mijtte oogen zien gestadig naar den Heer, want Hij, Hij zal mijn voeten uit den strik bevrijden1). Want gelijk door te zondigen en zich met het schepsel te verlustigen de mensch verstrikt wordt en van God verwijderd, zoo keert hij door boete te doen tot Hem terug en wordt hij