17
Flauwtjes ziet de mensch hetééne tusschen het vele en begrijpt,
dat hij de beschouwing der voorwerpen moet verlaten, dat hij
zich van de uiterlijke wereld moet afwenden en zijne blikken
richten moet naar het innerlijke in hem, waar ook het zelf gezeteld
is en ontwaakt in hem onderscheiding van het eeuwige onder het
vergankelijke, van het ééne onder de vele. Dat is de eerste stap
tot wijsheid.
Het gevolg van de ontwikkeling van de hoedanigheid van on-
derscheiding in hem is het gevoel van afkeer van de uiterlijke
verschijnselen. Daaruit vloeit voort de kennis, dat vooruitgang
mogelijk is voor hem.
De grootste vijand van den mensch is hij zelf, daarom wordt
den beginnende steeds toe geroepen: „Kent U zelf", opdat hij
zichzelf leert onderzoeken en dan zal hij telkens zien, hoe vele
gebreken hij heeft.
Hij moet controle uitoefenen over zijn verstand, over zijn lichaam,
over zijn gevoelen, opdat geen van deze hem verstoren kan en hij
het ware doel ziet in de vele methoden om dat te bereiken. Hij
moet verdraagzaamheid ontwikkelen, welke de ziel sterk maakt.
Hij moet vertrouwen hebben in zijne eigene goddelijkheid, hij moet
zich goddelijk voelen en weten, dat alles voor hem mogelijk is
en hij moet die evenwichtigheid ontwikkelen, welke door niets
verstoord kan worden.
Heeft hij dat alles gedaan, dan is hij aan het eind van het pad,
want hij heeft wijsheid bereikt, kracht ontwikkeld door het houden
van zijn heele natuur in toom en schoonheid verkregen.
3. Nu rest het derde pad, het pad van offering, ook het pad van
liefde genoemd d. i. de liefde, die wij koesteren voor den O.'.
B.\ d.\ H.\, want Hij is het voorwerp van onze aanbidding en
vereering, van onze liefde en van onze hoop. Hetzij door zijn
godsdienstig of door zijn mystiek gevoel komt hij tot de vereering
van God, van een Opperwezen, van een O.'. B.\ d.\ H.\, het is
geheel hetzelfde, hoe men dat Groote Wezen noemen wil.
Hij, die het pad van liefde wenscht te betreden, moet dat voor-
werp van aanbidding als zijn doel voor oogen houden, want als
een mensch zijn God vergeet, is hij niet in staat tot diepe vereering
en opoffering te geraken, dewijl hij het voorwerp van devotie verlo-
ren heeft, waarvoor hij een sterke, zuivere en edele liefde koesterde.