I.
jATHILDE, wat zijn ze toch mooi, onze j Holiandsche wegen," riep Hendrik van i Soyen verrukt uit. „Kijk nu toch; aan i weerskanten een hooge witte haag van I geurig pijpkruid. En onder de elzen en
wilgenstruiken bouquetten van rose koekoeksbloemen. Het gras bezaaid met hemelsblauwe en roode patronen van eereprijs en klaver. En de slootkanten gegarneerd met slanke lischbladeren, vol gouden vlinders aan de hooge bloeistengels."
„Ja, en daarachter de weiden, purper van zuring en schitterend geel van boterbloemen."
Ze reed vlak naast hem en wees tusschen het hakhout op den hoogen berm door, naar het gras, dat zwaar golfde met elk windkoeltje, wachtend op den maaier.
„En zou je niet zweren," vervolgde ze, naar het lage buitenland wijzend, achter den polder, „dat het in de verte heelemaal met goudplakkaten was bedekt."
„O, die zijn zoo mooi, die dotterbloemen. Kijk de Amsterdamsche jeugd er als kevers in neerhurken, om ze bij bossen te plukken. Aha, dag jongmensch, jij ziet er uit als de grootvizier uit het Bloemenland."
Dat was tegen een jongen, omkranst en behangen van boven tot onder met klater-gele tressen van dezelfde bloemen.
Zoo reden ze dicht naast elkaar voort, druk over het mooie weer en den heerlijken Mei-dag en telkens elkaar