verrukt in de oogen starend. De zoete geur van het pijpkruid en van de meidoorns en appelbloesem en al het andere honig uitwasemende gebloei, bezwangerde de lucht en hier en daar mengde zich er de weeë kruiden-lucht door van pas gemaaide gras-zwatten.
Coquette zwart-gekapte kwikstaartjes, nonchalante bont gespikkelde zanglijsters, deftige goud-snavelige merels en groenglanzende spreeuwen in hun bruiloftspak trippelden gewoon over den weg, en weken alleen wat naar den graskant uit voor de stil voortrollende rijwielen.
In de boomen aan de boerenwoningen was het een gekwetter en een getierelier en een getingel van vogel-lust, waarboven de weeldekeel van den lijster uitorgelde.
Rustig riep de koekoek uit de verte er zijn statige ijdelheid doorheen.
Simon Koch, de reus die hoog op zijn fiets Hen-drik's nichtjes escorteert, ziet nu en dan om en knikt veelbeteekenend, als hij Mathilde zoo geanimeerd en zoo vertrouwelijk met zijn vriend bezig ziet.
„We zullen maar voorblijven," roept hij, „het gaat zoo wel erg naar jullie zin."
„Uitstekend, uitstekend," lacht Hendrik, en hij ziet Mathilde aan. Maar ze doet, of ze niets gehoord heeft, en wijst op het jolige veulen in de wei naast den weg, dat plotseling een bevlieging van lente-dartelheid schijnt te krijgen, de achterpooten in de lucht slaat en aan het rennen gaat, verbaasd nageoogd door de hinnikende merrie.
Spoedig echter zijn ze weer in druk gesprek over zijn studie en over allerlei kleinigheden, weer zoo geheel samen, op niets en niemand om hen heen lettend en alleen van de zoete geuren en kleuren en het vogel-gekwetter en de heele Mei-weelde onbewust genietend.
Eerst in Piasend hadden ze weer oog voor de omgeving. Het viel Mathilde ineens op, hoe popperig klein hier de huisjes waren, en hoe smal de bruggetjes over de slooten, die er heen leidden, en hoe klein de raampjes en hoe hermetisch gesloten.