„En wat zal 't in die huisjes een contrast vormen met de geurige bloesemlucht hier," zei ze. „Verbeeld je, dat je een heel leven in zulke kleine donkere hokjes moet doorbrengen."
,,'k Vind het hier mooi," viel Hendrik in. „Kijk nu al die erven, omsingeld door elzen- en wilgenboomen, en door breede slooten, waar de blanke waterlelie stil in drijft. Die huisjes zijn zooals ze wezen moeten. Ze passen zoo heelemaal op hun lage eilandjes en ze schuilen zoo weg achter de linden en bloeiende appels.
„Mooi praten, maar woon er eerst eris in. Of breng er als dominee dagelijks huisbezoek. En als je dan je hoogen hoed tegen den boven-drempel stoot of in de kamer een wee gevoel krijgt van de benauwde opgehoopte slaap-lucht____"
Hendrik streed tegen: „Och kom, de deur staat winter en zomer open, en de muren zijn dun en poreus, en zoo'n huisje is honderdmaal typischer dan onze monsterachtige stadshuizen."
Ze lachte: „Je kan van Waterkerk geen kwaad hooren. Hoe kom je aan dat zwak ?"
Hij lachte ook: „Ja, ik vind het echt leuk hier. Kijk nu dat vrouwtje haar straatje schrobben en haar walstoep. Kijk, kijk, met kalk wordt-ie wit als een brand. En alles mooi onderhouden en in de verf. Palmhaagjes om het huisje en boomen er voor en bloemen, tot zelfs aan het water...."
In het „Wapen van Waterkerk" stapten ze af.
Simon was vol plagerijen: „Nu hebben die twee het nóg zoo druk, en van Amsterdam af hebben ze al apartjes."
„We kunnen toch niet met z'n vijven op dien smallen weg naast mekaar rijden," lachte Mathilde.
„Wat hebben ze toch voor geheimen," plaagde nicht Jet.
» „Alle koeien hebben ze geteld en al de vogeltjes in de boomen," spotte Simon.