27
• Heb ik een hekel aan het raatje.
*A1 mogt uw hand het kraantje schuren,
»Dát vroeger zoo geliefkoosd was,
«Zoodat het bijna goud gelijkt,
»*t Is als ik lang er op blijf turen
»Alsof daaruit een sater kijkt;
• Het is maar waar wat ze daar zeggen
• In dat tractaatje, dat men leeft
•Van 'tgeen den man een doodsteek geeft,
• Die dikwijls bij ons aan komt leggen.
• Zeg vrouw, Herinnert ge u dien man,
• Dien Jan-baas met zijn zeven kindren,
•Die, hoe het werk ook mogt vermindren,
• Toch daaglijks hier kwam. Arme Jan!
• De Lomberd had zijn beste kleêren;
• Maar och dat middel duurt niet lang.
• Niet veel verdienen, veel verteren,
• Dat voert gewis ten ondergang!
•Kijk, vrouw! het kan mij vreeslijk hindrcn,
• En 'k wordt somtijds van schaamte rood
• Wanneer ik nu zijn lieve kindren
• Zie beedlen om een stukje brood.
»'t Is waar, dan zeg ik bij mij zclven:
• Ik heb toch waarlijk niets "misdaan,
• Dat hij zijn eigen graf wou delven,
• Ging immers hem — en mij niet — aan.
• Maar 't is als klinkt het mij dan tegen;
» Gij dankt uw welvaart ook dien man,
»En meent gij dat des Heeren zegen,
» Op zulk een bloedgeld rusten kant
•En daarom, vrouw! Het kan niet langer,
• Dat malen krenkt mij schier 't verstandj
»'t Wordt daaglijks aan het hart mij banger,
• Die gansche drankboêl moet aan kant!"
Zoo sprak terwijl hij voor zich staarde
Een drankverkooper tot zijn vrouw,
Zijn hart gevoelde diep berouw,
Omdat hij een beroep aanvaardde,
Dat dftor een bron van ramp en leed
Hem 't daaglijksch brood verdienen deed.
Wel wist hij dat zijn vrouw en kindren
Ook leven moesten van dat brood,
Maar niets kon zijn besluit verhindren. —•
Al kostte 't strijd eer hjj besloot.