- 112 -
»Joseph I — minister, dan zouden — Jos... hé!
»wát is dat? De naam van Pater Ballester! Dat
»stuk moet ik lezen."
Bijna was de toeleg des ministers volkomen ge-
lukt, toen de Koning zijn alleenspraak en zijn tee-
kening onderbrak, en met belangstelling dat stuk
ter lezing in handen nam. Naarmate hij kennis nam
van den inhoud, verdonkerde zijn gelaat. "Was toch
zijn karakter week en zwak, allen godsdienstzin had
hij nog niet verloren, ook droeg hij niettegenstaande
de lastertaal van Pombal de Jezuïeten te veel liefde
en eerbied toe om een geweldigen maatregel tegen
hen te nemen. Alleen niet krachtig genoeg om te
gebieden had hij zich naar 't voorbeeld van zoovele
zwakke vorsten geworpen in de armen van een kracht-
dadig en heerschzuchtig minister, die onder den
schijn van zijn gebieder te verheffen hem verlaagde
tot slaaf zijner plannen.
»Wát beteekent dat? wat heeft de Pater dan ge-
»predikt?" vroeg de Koning ontsteld, »koningklijke
»majesteit!" antwoordde Pompal. »Hij heeft op on-
»verantwoordelijke wijze de regeering aangegrepen,
»door de nieuwe opgerichte handels-maatschappij te
»veroordeelen. Gij weet Sire! welk een invloed hij
» op het volk bezit, dat hem blindelings geloof schenkt.
»Gáát hij op die manier voort te betoogen, dat deze
»maatschappij het land schaadt en den handel ver-
»nietigt, en nu in 't openbaar en dan bedektelijk
»U\ver majesteit regeering te beschuldigen, dat ze
»verraad pleegt tegen het heil des volks, dan is de
»rúst van 't land in gevaar. Ik had hem voor het
«gerecht .willen dagen. De vrees voor eene groote