planeten zich bewegen tegen den stroom der twaalf
310 sterrenteekenen in, verrijzen de sterren, die uit verschillende krachten gemengd zijn, aan de eene zijde nabij de noordpool, aan de andere zijde dicht bij Phoebus' stralen; en omdat zij in haar strijd met de ongelijke lucht een gematigde temperatuur aannemen, maken zij de aarde, die onder haar ligt, voor den mensch vruchtbaar. In de onmiddellijke nabijheid van de ijskoude Beren en het stijfbevroren
315 Noorden vertoont zich een beeld, dat op de knieën steunt, < Hercules >, zich zelf wel van de reden daarvan bewust. Achter den Grooten Beer schittert Arctophylax, ook wel Boötes genoemd, omdat hij met zijn prikkel naar ouder gewoonte het span ploegossen voortdrijft. Midden onder zijn borst voert hij snel den Arcturus met zich meê. Aan de andere
320 zijde <van den Boötes > beweegt zich in helderen glans, maar met afwisselend licht de Kroon, want in dezen sterrenkrans blinkt er één uit, de grootste, die midden aan het voorhoofd straalt en door haar fonkelend licht de andere doet ver-bleeken. Het is Ariadne, de verlaten maagd van Cnosus,
325 aan wie deze Kroon ons herinnert. Dan ziet men de Lier, die haar beide uiteinden als horens tusschen de sterren aan den hemel uitstrekt. Door haar spel had weleer Orpheus, al wat hij ontmoette, betooverd en zelfs zijn weg door het schimmenrijk gebaand en de wetten der onderwereld overwonnen. Dies gewerd haar hemelsche eer en een macht, aan haar tooverkracht gelijk. Toen voerde zij wouden en
330 rotsen met zich mee, nu leidt zij het starrenheir en doet den onmetelijken hemelbol om zijn as wentelen. De Slangendrager, Ophiuchos geheeten, weet door zijn machtig teeken de slang zóó uiteen te leggen, dat terwijl zij met haar gansche lichaam zijn lichaam tracht te omkronkelen, hij haar zelf met al haar knoopen en ruggewindingen ontrolt. Maar de slang buigt haar lenigen nek, om naar hem te zien,
335 en ontglipt door haar losse geledingen aan zijn handen. Tegen elkaar opgewassen, zullen zij steeds in strijd blijven, omdat zij elkaar in krachten evenaren. Hieraan grenst het gebied van den Zwaan, dien Jupiter zelf aan den hemel plaatste als belooning voor zijn schoonheid, waardoor de