van het Taurusgebergte den Hond zien rijzen, als hij teruggekeerd voor het eerst opgaat, die voorspellen < daaruit > den tijd en den wisselvalligen uitslag van den oogst; zij zeggen, welke ziekte komt of hoe groote eendracht zal heerschen. Dit gesternte veroorzaakt den oorlog en brengt 405 den vrede weer, en veranderlijk van aard werkt het bij zijn terugkeer zóó op deze wereld in, als het haar aanschouwt, want met zijn oog beheerscht het de aarde. Het vast geloof bestaat, dat Sirius dit alles vermag door zijn kleur, zijn snelheid en zijn uitstraling. Hij is nauwlijks kleiner dan de zon: alleen omdat hij verweg aan het firmament staat, is zijn gelaat azuurblauw en werpt hij koude lichtstralen. Alle 410 sterren doen in schoonheid voor hem onder: geen baadt zich in den oceaan of verrijst uit de golven aan den hemel, die helderder is. Dan volgt de Procyon en de vlugge Haas, verderop de vermaarde Argo, uit de zee, die zij het eerst bevoer, ten hemel verheven. Door groote gevaren geslingerd, heeft zij haar plaats welverdiend, godin geworden door goden te redden. In haar onmiddellijke nabijheid is de Hydra, die 415 door de plaatsing harer sterren het glinsteren van schubben nabootst. Dan de Raaf, de aan Phoebus gewijde vogel, en daarnaast de bij Bacchus geliefde Beker; voorts de Centaur schitterend in dubbele gedaante, gedeeltelijk mensch, maar de borst verbonden aan den rug van een paard. Niet ver 420 van hier heeft de hemel haar eigen tempel. Daar schittert het Altaar, waar het offer volbracht is ter eere van de overwinning der goden, toen de Aarde in razernij de woeste Giganten ten hemel opzond. Toen zochten zelfs de goden den bijstand des hemels en Jupiter zelf was aarzelend, omdat hij vreesde niet te kunnen, wat hij wel kon, toen hij 425 de aarde zich zag verheffen, zoodat hij geloofde dat er een ommekeer in de geheele natuur plaats greep, en toen hij bergen zich hoog op bergen zag stapelen en de sterren vol vreeze voor zoo naburige hoogten; toen hij zag dat wezens, wanstaltig van gelaat en lichaam, uit den schoot der moederaarde geboren, op den hemel aanstormden. Jupiter kende 430 nog geen vijand, die hem verderf bracht, en wist ook niet, of er een macht was grooter dan de zijne. Toen stelde hij