- 37 -
Garekieker lm.zn. spotnaam voor Gulpcnaar, van gerre,
spleet, door ide neten of spleten kijken, spionneeren.
Garekroin v.zn. rechtstandige garenhaspel; figuurlijk, dom
sufferig meisje. Et schiteit "weer te kieke wie 'n
garekroin, ze staat weer te kijken alsof ze geen drie
kan tellen.
Garnetiiig bn., ontevreden van humeur.
Gats v.,zn. smal straatje (dirnin. getske) smalle weg tus-
schen twee hagen. (hgd. Gasse). In Nijmegen heeft men
gassen. 1
Gats bv. ranzig, (ofr. guaste). Oudemans: gast, bedorven,
slecht. '
Gatze ww. paadjes kappen in het hakhout (bosch) om in
, perceelen te verdeelen tot verkoop.
G a u s v.zn. gans (eng. goose).
G au ze tong v.'zn. onkruid met lancetvormige bladeren in
klaverland.
Ge beeld o.zn. met figuren geweven linnen; damast.
Gebeid part. geslagen, gepreugeld. (kelt. bei = slaan).
Doe krigs ze gebeid; ge krijgt preugel.
Gebèkde v.zn. hoeveelheid graan of meel, voldoende om in
eens gebakken te worden.
Gebtèère ww. gebaarden; veinzen.
Gebont o.zn. dakspant. Avörmig geraamte, waarop het dak
komt te rusten. Een getimmerte beslaat naar gelang der
grootte twee of meer gebonten. Het buiten- of gevelgbont
Wordt met vlechtwerk en leem tot een dichten wand gevuld.
Gebraoke paosche beloken Paschen.
Gechte ww. hijgen. Kil.: ghygen, anhelare.
Gèèë ww. wieden, (mhgd. jéten, géten), (ohgd. jetto = on-
kruid). Kluge.
Gèèl gargol v.zn. geelgors.
Gèèlhaor o.zn. nekpees van het rund.
Gèèl verf v.zn. geelzucht.
Geenzieër m.zn. Kempenaar; van gene zijde der Maas.
Geer 2e pers. enk. en meerv. gij.
Gèèr d v.zn. roede, Kil.: gaerde, gheerde, virga. De gèèr d
aaf gaon, sterven, descendre la garde.