WIJZE VAN BEHANDELING.
Wanneer de persoon, die de zangles leidt, eene vrouw is, dan is het beste
dat zij, mits zij een zuivere en licht aansprekende stem heeft, de oefeningen
aan de kinderen voorzingt. Zoowel de onderwijzeres als de kinderen moeten,
óók in de lagere tonen, in de lichte hoofdstem blijven; borststem zingen is
voor kinderen schadelijk. Wordt de les geleid door een man, dan zal een
zuiver bespeelde viool of een zuivere, zachte piano, het beste onderwijsmiddel
zijn. Een viool geeft natuurlijk beter de fijne toonverhoudingen aan.
Ieder hoofdstuk vangt aan met eene bespreking van het onderwerp; het
onderwerp wordt verder door vóórzingen of vóórspelen toegelicht; de leer-
lingen moeten het voorgedane zuiver leeren nazingen, om zich eene juiste
voorstelling te maken van de toonverhoudingen.
Daarop volgen de gehooroefeningen. Deze worden aan de leerlingen
langzaam en duidelijk, aanvankelijk bij kleine gedeelten, vóórgezongen op de
lettergreep la, of voorgespeeld. Zij worden door de leerlingen zacht nage-
zongen, met de namen der tonen. De leerlingen wennen er dus dadelijk aan om
aan de verschillende tonen de gebruikelijke namen te geyen: e, </, e, enz.
Eindelijk komen eenige opgaven. Deze bestaan gedeeltelijk uit vragen.
Voor een ander deel zijn het notenfiguren; deze wordendoor den onderwijzer
niet voorgezongen, maar alléén voorgezegd; tevens wijst de leerling met de
hand eenigszins de afstanden aan. De onderwijzer zegt: zing eege, cgec enz.,
en wijst met de hand, opwaarts, neerwaarts of teruggaande. De leerling zingt
die notenfiguren na, eveneens op de namen der noten.
Langs deze verschillende wegen zullen, met wat geduld, de beginselen der
muziektaal door de leerlingen langzamerhand worden verstaan.