I. Lage en hooge c. C, d. e.
Zooals de Inleiding reeds aanduidt, moeten de gehooroefeningen uit dit boekje, die door
den onderwijzer worden vóórgezongen of voorgespeeld, niet worden opgeschreven, maar nage-
zongen. Men zij er dadelijk op bedacht, dat door ongeoefenden de toonladder gewoonlijk te
laag gezongen wordt; de afstanden tusschen de trappen worden onjuist gemaakt. Om zuiver
te olijven moet men den 2den en 6den trap wat hoog houden, anders komen de groote en
kleine terts en de septime te laag. Het lichte zingen In de hoofdstem geeft mede eenige
waarborg voor de zuiverheid. Een groot steunpunt voor de zuiverheid is het telkens terugkomen
op het reine octaaf.
Wanneer wij zingen, brengen wij klanken of tonen voort. Die tonen kunnen
hooger of lager klinken, b.v. :* /ftv-=-zzz^= Zij hebben verschillende namen.
ia ia
De toon, dien ik u het eerst zal leeren, heet c en klinkt: yty--Beproef eens
m
te onthouden hoe die c klinkt; ik zal er u telkens naar vragen. Ik noem deze
c de lage c, want ik wil u óók een hoogere c leeren: a~ Zing nu beur-
telings de lage en de hooge c: /SEïEEEEE^zEE Zing gij nu de lage c en ik
«/ -O
C C
de hooge; daarna omgekeerd. Zij klinken te zamen zeer goed:
Van de lage c naar de hooge kan men een geheelen trap opklimmen:
la la la „ la la la
$ 0 = Daarna kan de trap jE:
^2_.^^-g g'-^-rrr^: worden afgedaald: Ep:
Doe mij dit eens na.
De lage c noem ik den grondtoon. De grondtoon is tevens de eerste trap.
Ik ga u drie trappen leeren: jppzzizzzr Zing mij die mooi en zacht na.
e d e
Zing mij nu mooi en zacht na, wat ik u voorzing. Ik noem de tonen
alle: la. Gij noemt ze bij hunne namen: c, d, e.
GEHOOROEFENINGEN.
Slechts enkele tonen te gelijk voordoen en na laten zingen, tot aan een komma.
Onderwijzer: la la la, la la la,
12 3 4
i
Leerlingen: c c c
5 6
i
I
ii
De onderwijzer zingt of speelt deze tonen aan de leerlingen vóór.