Hoofdstuk II — In alle ding is wisseling. Beschouwing over
de uitlevering.
Rede,uitgesproken door Prof. Mr D. Hazewinkel-Suringa
op de 324ste dies der Universiteit van Amsterdam.
Alvorens Mevrouw Hazewinkel tot het uitspreken van haar rede overgaat
neemt de Rector Magnificus het woord.
Enkele uren geleden bereikte ons het bericht, dat vannacht is overleden de
oud-hoogleraar Pieter Antonie Jacobus Losecaat Vermeer.
Hij was in 1888 te Winschoten geboren, studeerde rechten te Leiden en
promoveerde daar in 1913 op een proefschrift over „Wil en verklaring bij
overeenkomsten". Van 1913—1914 oefende hij de rechtsgeleerde praktijk uit
te Haarlem. Daarna was hij tot 1919 Ambtenaar van het Openbaar Ministerie
bij de Kantongerechten in het Arrondissement Almelo. Van l919tot begin 1922
was hij rechter in de Arrondissementsrechtbank te Tiel. Eind 1921 werd hij
benoemd tot hoogleraar aan onze Universiteit in de faculteit der Handels-
wetenschappen om onderwijs te geven in de Inleiding tot de rechtswetenschap
en de beginselen van het burgerlijk recht, het handels- en faillissementsrecht.
Hij inaugureerde op 6 Februari 1922 met een rede getiteld: „Opmerkingen over
's rechters taak met betrekking tot tenuitvoeringleggen van overeenkomsten".
Tijdens de cursus 1938—39 was hij rector magnificus. Een jaar later verliet
hij ons door zijn benoeming tot Raadsheer in de Hoge Raad.
Dankbaar en met weemoed herdenken wij hem.
Mag ik dan nu Prof. Hazewinkel uitnodigen de Diesrede te houden?
Dames en Heren Bestuurderen van de Stad Amsterdam,
Dames en Heren Curatoren dezer Universiteit,
Mijne Heren Leden van het Presidium,
Dames en Heren Hoogleraren, Lectoren, Privaatdocenten,
Leden van de Wetenschappelijke Staf,
Dames en Heren Studenten en
Gij allen, die met ons wilt vieren de 324ste dies onzer Universiteit,
Ik heb de eer U namens de Rector welkom te heten.
Het is niet zonder bedenking, dat bij toerbeurt een der leden van de Senaat
wordt aangewezen voor het houden van de verjaardagsrede. Bij een feest
immers behoort een jubeltoon, maar deze past niet aan iedere tak van weten-
schap, zeker niet aan het strafrecht. Immers, al schuilt er overdrijving in Leo
Polak's woorden, dat het strafrecht het ongelukkigste deel van het recht is,
omdat het noch zijn grond, noch zijn grens, noch zijn doel, noch zijn maat-
staf kent, waar is, dat ondanks alle eeuwen van zijn bestaan geen eensgezind-
heid omtrent zijn theoretische grondslagen is bereikt. Ook al begint zich des-
ondanks in de practijk een vrijwel algemeen gevolgde lijn af te tekenen, die
voert naar een strafrecht, dat met Plato's woorden genoemd mag worden
„geneeskunst van de boosheid", deze geneeskunst kan nog niet gelijk haar
zuster, die zich het lichamelijke en geestelijke lijden aantrekt, wijzen op enorme
vooruitgang op diagnostisch, prognostisch en therapeutisch gebied. Zij ver-
keert nog in het stadium van het experiment, dat zich uiteraard slechts leent
37