leden, had de professor anders gedaan dan anders; hij had al wandelend, en het tempo zijner wandeling was opvallend snel geweest, buitengewoon veelvuldig naar boven gekeken, dan, tot driemaal toe, was hij ineens ergens weggekropen, om dan plotseling en dadelijk kijkend weer te voorschijn te schieten, alsof hij zeggen wilde : »Je dacht, dat ik weg was, hè ?« Maar de vierde maal, toen had Hilda, hoewel Bruno geen enkel gerucht maakte, behalve dat hij af en toe diep zuchtte, eensklaps gezegd : »Stü es !«.... Ze hadden beiden geluisterd en toen ineens had Hilda juichend uitgeroepen: »Ik hoor de buitendeur dichttrekken .... hij is uitgegaan.... hoera !«
Op dien uitroep had ook Bruno een vreugdekreet geslaakt, zijn palet neergesmeten, Hilda in zijn armen genomen en even later was hij met haar op zijn knieën in de bezoekersstoel terecht gekomen, waarin ze beiden de verontwaardiging van het voorgeslacht zoo onbeschaamd negeerden.
»Schat,< zei Bruno, toen er eindelijk een pauze kwam in hun onderlinge liefkoozingen, »ik heb een belangrijk nieuwtje____«
Ze zag hem dadelijk met haar nieuwsgierigste oogen aan.
»Wat dan?« vroeg ze, de witte boventandjes bijtend in haar onderlip.
»Als je me zóó aanziet,* zuchtte hij, »dan kan ik niéts vertellen. Die oogen van je,----die wonder-