lijke oogen, die nooit eender zijn----die me wanhopig maken en dronken en krankzinnig.... als ik al mijn menschelijke gevoelens met reuzenenergie uitschakel en er naar kijk, alleen met schildersoogen ...
om de kleur en de gloed---- dan zie ik ze soms
blauw.... mooi donkerblauw----dan houd ik de
visie van die kleur vast----meng op mijn palet, tot
ik zeker weet____zoo is 't... . precies zoo----
en dan kijk ik voor controle nog even.... God!... dan zijn ze grijs geworden met een goudgroenen weerschijn____of soms donker van een niet te benaderen kleur....«
Hilda lachte, trok schertsend aan zijn schildersbaardje, vleide haar hoofd weer tegen zijn schouder en sloot haar oogen.
»Zoo dan____«, fluisterde ze, »nu zie je ze niet,
vertel me nu dat groote nieuws.«
>Ja.... ja,« sprak hij wat zenuwachtig, »want
Professor is al zoo lang weg----'t is dit. .\. Je
hebt gehoord van de Tjeerd Hettema-Stichting ?«
Hilda knikte met gesloten oogen. Zeker had ze er van gehoord. In Amsterdam was kortgeleden de oude, schatrijke, eenzelvige weduwe van een meneer Hettema overleden en bij de opening van haar testament waren dozijnen erfgenamen flauw gevallen, omdat uit de voorlezing bleek, dat haar geheele nalatenschap, die een paar millioen bedroeg, toeviel aan een door haar gegrondvestte »Tjeerd Hettema slichting*.