»Nee----« sprak Bruno, »dat zullen er niet. Je
weet, er is een Raad van Beheer benoemd, waar je oom ook in zit. Nu, en die Raad van Beheer heeft maar in zeer beperkten kring publiciteit aan het bestaan der vacature gegeven, juist om een te groote . toeloop van sollicitanten te voorkomen.«
»Maar oom moet je aanbevelen!« riep Hilda met schitterende oogen, »en je benoeming steunen!«
»Ze zijn met hun zevenen,* sprak Bruno, »zeven leden van den Raad van Beheer, dus om benoemd te worden zou ik minstens vier stemmen moeten hebben.*
»Ssst....« deed Hilda eensklaps, en dan met sissende fluistering, terwijl ze van Bruno's schoot afvloog, een boek greep en naar haar plaats snelde. >Daar is-ie.... gauw----je palet!«
Het was hoog tijd.
Bruno had nog juist gelegenheid om zich door lukraak een veeg karmijn op de nog wel zeer onvolkomen beeltenis van Hilda te smeeren, een houding te geven of hij ernstig aan 't werk was, toen pro-i fessor Maranus het vertrek binnenkwam.
Hij was een goede zestiger, wat klein van stuk, maar driftig en levendig in zijn bewegingen als iemand, die veel jonger is. Dat hij een nazaat was van de dame met de waaier en de haar omringende heeren, zag iedereen met den eersten oogopslag. Hij had datzelfde welbewuste en tevens critisch uitvor-schende in zijn houding en gelaat. Tegenspraak
De Driedubbele Vrouw 2