duldde hij zoomin als zijn grootmoeder met de crinoline, wier energieke kin hij geërfd had, terwijl er verder reden was om aan te nemen, dat tot zijn bestaan hier op aarde in dezen vorm het meest had medegewerkt de voorvader met de stropdas, die den aardbol beschermde.
>'t Vlot niet hard vanmorgen,* sprak hij wat snauwerig, met een blik op de onvoltooide schilderij. >Je was een half uur geleden net zoo ver.«
>De oogen van uw nichtje zijn heel moeilijk te treffen, professor,* antwoordde Bruno, »en zoodoende ...,.«
»Wat moet die rooie vlek naast haar neus... ?« 't Lijkt wel of ze roodvonk heeft!« bromde de ander ontevreden, maar dan, zich van den schilder afwendend, trad hij op zijn schrijftafel toe, wierp daar de portefeuille op, die hij met zich droeg, en ging zitten in zijn armstoel.
Hilda, poseerend aan het andere raam, met een opengeslagen boek op het tafeltje voor haar, zag niet op.
>Ik ben uitgeweest....,« zei de professor.
Nu wendde ze haar hoofd.
»U ? O, ik dacht u in den tuin gezien te Rebben,* sprak ze rustig.
»Zoo...« 't Klonk wat smalend ongeloovig. Hij drukte zijn kin in zijn hals, keek onderzoekend met gefronste wenkbrauwen naar Hilda en dan weer naar Bruno, die hevig schilderde.